Duomoederschap niet schadelijk voor kind

Vandaag verscheen deze geweldige column van Asha ten Broeke in Trouw (overgenomen met toestemming van de auteur):

Soms waarschuwt mijn man me, voordat hij me de krant overhandigt. “Hier ga je je over opwinden”, zegt hij dan, en reikt me uit voorzorg een kalmerend kopje kruidenthee aan. Zo ook afgelopen zaterdag.

Hoogleraar rechtsgeleerdheid Dorien Pessers had in Letter & Geest een essay geschreven met als kop: ‘Dit schaadt het kind’. Het stuk ging over de aanstaande duomoederwet, die regelt dat de echtgenote van een lesbische moeder in spe automatisch juridisch als mama van het kind geldt. Een puike wet, die vooral over gelijkberechtiging gaat. Bij getrouwde heterostellen is het immers al zo dat de man van de moeder geldt als de juridische vader van het kind, of hij nou de biologische papa is of niet.

Pessers’ visie was echter aanzienlijk minder gezellig. Volgens haar heeft een kind het recht om de mensen met wie het per bloed verwant is te kennen. Weten van wie je DNA-technisch afstamt, is belangrijk voor de ontwikkeling van de identiteit. Inschrijving in het bevolkingsregister met twee moeders en nul vaders verstoort dit proces. Volgens Pessers creëren lesbische mama’s die met onbekend donorsperma een kind maken willens en weten leed voor hun zoon of dochter: kindlief weet immers niets van de biologische vader en daarom staat hem of haar later een pijnlijke zoektocht naar de genetische wortels te wachten. “In te veel gevallen voelen deze kinderen een fundamenteel gemis.”

Haar redenering staat of valt met deze aanname: het is slecht voor kinderen om op te groeien zonder contact met al hun bloedverwanten. Onbekend donorzaad is een psychologisch riskant goedje. Voor deze aanname citeert Pessers geen wetenschappelijk bewijs. Op zich logisch, want dat bestaat ook niet. Integendeel: al in de jaren negentig constateerden onderzoekers dat donorzaadkinderen niet meer emotionele problemen hebben dan kinderen die via een natuurlijker route waren verwekt. Een overzichtsartikel uit 2001 gaat specifiek in op lesbische donorzaadmoeders: “Ondanks vele zorgen over het welzijn van deze kinderen werd er geen nadelig effect gevonden van deze alternatieve familiestructuur op de ontwikkeling van het kind.” In 2012 werd dit nogmaals bevestigd: er was in meer dan vijftien jaar niet één onderzoek geweest waarin donorzaadkinderen het slechter deden dan andere kinderen.

Sterker nog: de lesbische moeders deden het op identiteit- en stamboomgebied gemiddeld genomen beter dan hetero-ouders die de hulp van onbekend donorzaad inriepen. De reden: zij vertellen hun kinderen op jonge leeftijd eerlijk hoe ze precies op deze aardkloot zijn beland. Hetero-ouders vertellen het vaker niet, of pas als het kind al bijna volwassen is, en dat leidt tot problemen.

Een kleine meerderheid van de donorzaadkinderen blijkt namelijk wel nieuwsgierig te zijn naar de biologische vader. Lesbische ouders stimuleerden dit. Een goed idee, want in weerwil van Pessers’ aanname blijkt uit onderzoek dat de meeste kinderen zo’n wortelzoektocht als positief ervaren. De niet-biologische papa’s wilden er echter in een kwart van de gevallen niets van horen, waardoor het hele bloedverwantschapsverhaal tot gezinstaboe werd verklaard. En ja, dát is schadelijk voor de ontwikkeling van een kind. Maar met lesbische mama’s of de duomoederwet heeft dat niets te maken.

Advertenties

Eén jaar verder

Ondertussen is het 2013 en ben ik al weer een jaar donor. Er zijn ondertussen twee van mijn donaties gebruikt en er is hiermee één zwangerschap ontstaan. Ik ben hier erg blij mee, en heb goede moed om door te gaan met mijn maandelijkse tripjes naar Zwolle. Ik had natuurlijk graag gezien dat het allemaal wat vlotter ging. Ik heb tenslotte al twaalf keer gedoneerd, maar ze zijn bij de kliniek uiterst voorzichtig. Elk halfjaar word ik gescreend op soa’s en ze gebruiken alleen het sperma van zes maanden voor de laatste test. Check, check, dubbelcheck zou je kunnen zeggen en dat lijkt me erg verstandig. Maar hoe verstandig het ook is, het neemt niet weg dat ik graag al wat meer mensen had willen helpen. Terwijl ik dit type komen er allemaal spreekwoordelijke gemeenplaatsen in mij op. Geduld is een schone zaak, want haastige spoed is zelden goed en bovendien zijn zowel Rome als Keulen en Aken niet op een dag gebouwd, maar dat alles terzijde, want mettertijd komt Hannes in het wammes. Die laatste is in mijn moderne oren een opmerkelijk spreekwoord, maar laten we wel wezen, mijn ongeduld verbleekt geheel en al bij de mensen die veel te lang op een wachtlijst staan voor donorzaad. Ik blijf dit suf vinden en hoop dat dit zal veranderen en probeer daar met deze blog wat aan bij te dragen.

Ik heb berichtjes gekregen van andere mannen die ook overwogen om zaaddonor te worden of het zelfs zijn geworden en juich dit enorm toe. Grappig is dat dit zelfs procentueel meetbaar zou moeten zijn op het totale aantal donoren in Nederland, maar eigenlijk laat dit niet zozeer het succes van mijn blog zien als wel de tragische staat waarmee het gesteld is met de spermadonoren in Nederland. Een embryoloog heeft me laten weten dat ook Isala nu gaat uitwijken naar Deens sperma en ik vermoed dat deze trend zich nog wel verder zal doorzetten.

Om af te sluiten met de prototypische begin-van-het-nieuwe-jaar-hoopvolle-verwachting-uitspraak hoop ik dat door de films en media-aandacht in 2013 het taboe op spermadonatie nog wat meer wordt opgeheven, dat het meer onder de aandacht wordt gebracht van welwillende mannen die hun steentje willen bijdragen en dat ook de verschillende fertiliteitsklinieken en belangenverenigingen meer hun best gaan doen om donoren te werven.

Een gelukkig nieuwjaar!